
Er is iets bijzonders aan het moment
dat ik mijn camera vastneem.
Niet om te vangen,
maar om te zien.
Wat ik zoek is nooit groot of luid –
het zit in het kleine,
het stille,
het gewone dat vaak onopgemerkt blijft.
Fotografie is voor mij een vorm van vertragen.
Een manier om te ademen met mijn ogen open.
In het licht op een muur,
een tak in de sneeuw,
een schaduw die verschuift,
of een plooitje in een stuk stof,
vind ik een schoonheid die niets van mij vraagt.
Ik leer om niet te kijken met verwachting,
maar met aanwezigheid.
Want wat ik vastleg,
is even belangrijk als wat ik wél zie.
In die ruimte ertussen –
het niet-doen,
het niet-weten –
gebeurt de echte magie.
Elke foto herinnert me eraan
dat stilte vol is,
en leegte nooit echt leeg.
In wat stil is,
zie ik het leven bewegen –
niet om te bewaren,
maar om even helemaal te zijn.