
Ik bereid me niet voor op de koude
door ze te vermijden.
Ik nodig haar uit.
In huis laat ik het frisser worden.
Ik draag minder lagen.
Ik douche koud.
Ik luister naar wat mijn lichaam doet,
niet naar wat het zou moeten kunnen.
’s Avonds kook ik water.
Niet om te koken,
maar om warmte vast te houden.
Een kruik.
Een tas.
Warmte die blijft,
ook wanneer het vuur uit is.
Ik merk hoe weinig er eigenlijk nodig is.
Hoe snel mijn lichaam leert.
Hoe geruststellend het is om te weten
dat warmte niet altijd
uit een stopcontact hoeft te komen.
De koude maakt alles trager.
Zachter ook.
Ze dwingt me om aanwezig te zijn.
Om te voelen waar mijn grenzen liggen
en hoe ver ik ze kan verleggen zonder
mezelf te forceren.
Dit is geen stoerheid.
Geen test.
Geen voorbereiding voor later.
Dit is later.
Dit is leven, hier en nu,
met wat er is.
En terwijl ik me voorbereid op Luz,
merk ik dat ik vooral thuiskom
in eenvoud.