
Er was een tijd
waarin ik mijn lichaam vooral zag
als iets dat niet meewerkte.
Pijn die bleef hangen.
Spanning die nergens heen ging.
Een vermoeidheid die niet verdween,
hoe hard ik ook probeerde goed te leven.
Ik zocht oplossingen.
Schema’s.
Uitleg.
Manieren om weer te functioneren.
Tot ik langzaam begon te voelen
dat mijn lichaam geen probleem was
dat opgelost moest worden.
Maar een barometer.
Wanneer mijn rug vastzit,
mijn wervelkolom protesteert
of mijn maag zich samenknijpt,
dan zegt dat niet: je doet het fout.
Het zegt:
hier is te veel
of
hier ben je niet meer bij jezelf.
De dagen waarop ik luister –
eenvoudig eet,
traag beweeg,
de kou toelaat,
stil word –
die dagen verzacht mijn lichaam vanzelf.
Niet omdat alles plots opgelost is,
maar omdat ik weer op één lijn kom
met mezelf.
Ik begin te begrijpen
dat pijn niet altijd vraagt om actie,
maar om aandacht.
Niet om harder te worden,
maar om zachter te luisteren.
Mijn lichaam weet vaak eerder
dan mijn hoofd
wat klopt
en wat niet meer gedragen wil worden.
En misschien is dat wel
de grooste verschuiving:
dat ik mijn lichaam niet langer
probeer te sturen,
maar leer volgen.
Niet perfect.
Niet elke dag.
Maar steeds eerlijker.
Mijn lichaam wijst me geen weg
naar méér doen.
Het wijst me terug
naar zijn.