
Er zijn dromen die je wakker schudden
en dromen die je zacht laten landen.
Jarenlang waren mijn nachten
gevuld met onrust.
Achtervolgd worden.
Bommen die vielen.
Tanden die uit mijn mond braken
en op de grond lagen.
Dromen van een lichaam dat altijd
paraat moest staan.
Altijd alert.
Altijd klaar om te vertrekken.
En dan,
ineens,
iets anders.
Geen dreiging.
Geen paniek.
Geen vluchten.
Ik droomde dat ik op bezoek was.
In een huis waar niets moest.
We zaten samen aan tafel.
We aten.
Gewoon.
Een grote kom aardappelen elk –
aards,
eenvoudig,
voedend.
Ik herinner me dat ik zei:
ik wou je altijd al zo graag zien optreden,
en nu zie ik je echt.
Niet vanop afstand.
Niet als droombeeld.
Maar dichtbij.
Menselijk.
Aanwezig.
Toen ik wakker werd,
voelde ik iets wat ik lang niet gekend had:
rust.
Alsof mijn lichaam iets had begrepen
waar mijn hoofd geen woorden voor nodig had.
Misschien vertellen dromen ons
niet waar we naartoe moeten,
maar waar we niet meer zijn.
Niet langer overleving.
Niet langer op de vlucht.
Niet langer tandenknarsend door de nacht.
Deze droom voelde als een overgang.
Van dragen naar rusten.
Van moeten naar mogen.
Van overleven naar zijn.
En sindsdien is dat
het mooiste teken van allemaal:
dat mijn lichaam eindelijk gelooft
dat het veilig is om te blijven.