
Er stond een kom voor mij.
Warm.
Kleurrijk.
Levend.
Groene broccoli die nog beet had.
Tomaatjes die openbarstten.
Microgroentjes die bijna nog groeiden.
Onderaan iets zachts.
Iets dat droeg.
Ik merkte hoe mijn lichaam ontspande
bij de eerste hap.
De voorbije weken at ik uit gewoonte.
Uit gezelligheid.
Uit het hoort erbij.
Koekjes bij verdriet.
Taart bij zorg.
Maar dit voelde anders.
Dit was geen troost.
Geen afleiding.
Geen suikerlaagje over vermoeidheid.
Dit was brandstof.
Helder.
Licht.
Alsof mijn cellen even rechtop gingen zitten.
Ik heb vandaag veel gedragen.
Mijn bed.
Mijn spullen.
Mijn afscheid.
Maar dit –
dit droeg mij.