
Ik zocht geen plek.
Ik wandelde gewoon.
Zonder plan,
zonder doel.
Gewoon stap voor stap,
zoals de laatste dagen vaker gaan.
En toch vond ik er één.
Een oude boomstronk,
gedragen door wat ooit was.
Ruw,
verweerd,
maar stevig.
Alsof hij allang wachtte.
Daarachter water.
Stil.
Spiegelend.
Alsof het niets van mij nodig heeft,
en net daardoor alles geeft.
Ik ging zitten.
Niet omdat het moest.
Niet omdat het hoorde.
Maar omdat alles in mij even wilde zakken.
Even geen denken.
Geen zoeken naar oplossingen.
Geen moeten begrijpen.
Gewoon … zijn.
Het is vreemd misschien,
hoe een plek
zonder muren
toch kan aanvoelen als thuis.
Hoe een stuk natuur
je kan dragen
zonder iets terug te vragen.
Hier hoef ik niets te worden.
Hier ben ik al genoeg.
Misschien is dat wat ik aan het leren ben.
Dat thuis niet altijd een plek is die je vindt,
maar een plek die ontstaat
wanneer jij stopt met weggaan van jezelf.
En vandaag
zat ik daar.
En het werd stil.