
Er viel een streepje zon binnen in Luz.
Net genoeg om mijn dons goud te kleuren.
Ik gooide alles open.
Ramen op een kier.
Dons naar buiten.
Kussens recht.
En toen begon het klauteren.
Over mijn eigen bed.
Half draaiend.
Met één knie op de zetel.
Een arm die net te kort leek.
Een hoofd dat bijna het plafond ontmoette.
Een soort ochtenddans in een kleine ruimte.
Ik voelde me even een onhandige berggeit
in een metalen cocon.
Maar ik kreeg er warm van.
Niet van de verwarming.
Niet van de radiator.
Maar van bewegen.
Van zoeken hoe mijn lichaam zich hier plooit.
Hoe ik draai.
Hoe ik hang.
Hoe ik leef in minder ruimte.
Het was wat stuntelig.
Wat onwennig.
En tegelijk: licht.
Blijkbaar word je in een kleine ruimte niet kleiner.
Je wordt creatiever.
En warmer.
Met een streepje zon op je gezicht.