
Als kind had ik altijd schelpen in mijn zak.
Kleine. Grote.
Soms gebroken.
Soms eentje waarvan ik dacht:
dit is de mooiste ooit.
Ik kon ze niet laten liggen.
Alsof ze me riepen.
Of alsof ik bang was dat
iemand anders ze zou meenemen.
Vandaag deed ik exact hetzelfde.
Ik wandelde langs de zee,
keek naar beneden,
en daar lagen ze weer.
Schatten.
Mijn handen gingen bijna vanzelf
naar mijn zakken.
Eentje.
Nog eentje.
Ah, deze ook nog.
En voor ik het wist
zat mijn zak weer vol.
Er is eigenlijk niets veranderd.
Alleen misschien dit:
vroeger nam ik ze mee naar huis
alsof ik ze moest bewaren.
Vandaag leg ik ze
soms gewoon weer neer.
Op een bankje.
Langs het pad.
Alsof ik ze even mocht vasthouden
en daarna weer teruggeven.
Sommige dingen neem ik mee.
Niet om te hebben,
maar om te herinneren hoe het voelde.
Dat kleine gelukje van iets vinden
dat er gewoon ligt
en toch speciaal voelt.
Dat is er nog altijd.
Misschien ben ik nooit gestopt
met verzamelen.
Alleen verzamel ik nu
momenten
in plaats van dingen.