
Lange tijd dacht ik
dat verbinding betekende:
veel tijd samen doorbrengen.
Altijd bereikbaar zijn.
Vaak afspreken.
Nabijheid bewijzen.
En ergens onderweg
begon mij dat uit te putten.
Niet omdat ik mensen niet graag zie.
Integendeel.
Maar omdat ik mezelf
vaak een beetje verloor in verbinding.
Alsof ik moest kiezen tussen:
dichtbij iemand zijn
of dichtbij mezelf blijven.
Pas nu begin ik te voelen
dat verbinding misschien ook iets anders kan
zijn.
Zachter.
Ruimer.
Vrijer.
Misschien zit verbinding niet in hoe vaak je
elkaar ziet,
maar in hoe veilig je jezelf mag blijven
wanneer iemand dichtbij komt.
In korte gesprekken
die niet trekken.
In stilte
die niet ongemakkelijk voelt.
In iemand die zegt:
je bent welkom,
zonder dat het moet.
In een kampvuur met onbekenden.
Een lichtje gekregen onderweg.
Een spraakbericht midden in de nacht.
Een gesprek dat zacht blijft
omdat niemand het probeert vast te nemen.
Ik begin te ontdekken
dat de mooiste verbindingen voor mij
geen kooi zijn.
Maar een plek
waar ik kan ademen.
Waar nabijheid bestaat
zonder druk.
Waar ik even mag verdwijnen
zonder dat liefde verdwijnt.
En misschien is dat waarom kleine momenten
tegenwoordig zo groots voelen.
Omdat ik niet langer op zoek ben
naar mensen die me vasthouden.
Maar naar mensen
bij wie ik mezelf mag blijven.