
Buiten is het fris.
Ik neem mijn koffie mee en ga op het bankje zitten.
Voor mij strekt het groene veld zich uit tot aan de horizon.
Boven mij een grote lucht, met wolken die langzaam voorbij lijken te schuiven.
Mijn handen warmen zich aan mijn tas.
Ik kijk wat voor me uit en geniet van de stilte.
Er hoeft even niets.
Ik merk hoe fijn ik het vind om buiten te zijn.
Om de lucht te voelen.
De ruimte om me heen te zien.
En mijn gedachten even niet achterna te lopen.
Ook wanneer ik bij J ben, probeer ik zoveel mogelijk buiten te zijn.
Niet omdat ik niet graag bij hem ben.
Integendeel.
Maar ik heb gemerkt hoe belangrijk het voor me is om ook in een omgeving die niet helemaal de mijne is, kleine plekjes te vinden waar ik mezelf kan blijven voelen.
Een bankje.
Een kop koffie.
Een blik over de velden.
Het zijn kleine dingen, maar ze geven me ruimte.
Misschien heb ik de ruimte niet alleen nodig om tot rust te komen, maar ook om dicht bij mezelf te blijven.
Om te voelen wat ik nodig heb, zonder dat ik me daarvoor hoef af te zonderen van iemand die ik graag bij mij heb.
Ik wil graag samen zijn.
Delen.
Ontdekken.
Genieten van elkaars aanwezigheid.
En tegelijk wil ik mezelf niet verliezen in het samen zijn.
Ik begin steeds beter te begrijpen dat die twee naast elkaar mogen bestaan.
Dat liefde niet betekent dat je altijd binnen elkaars wereld moet blijven, maar dat je ook je eigen plekjes mag houden.
Plekjes waar je even niets hoeft uit te leggen en gewoon kunt zijn.
Dus zit ik hier, met mijn koffie en het weidse uitzicht.
Het is fris, maar het doet me deugd.
De dag moet nog beginnen.
Er zullen ongetwijfeld weer dingen geregeld worden, keuzes gemaakt worden en gedachten die om aandacht vragen.
Maar nu nog even niet.
Nu is er alleen dit moment.
En soms is dat precies genoeg.
Even buiten ademhalen.
Even thuiskomen bij mezelf.