
In het begin sliep ik enkel
in Luz.
Meer niet.
Ik kwam laat toe.
Deuren dicht.
Geen licht.
Geen geluid.
Alsof ik mezelf zo klein mogelijk
probeerde te maken.
Ik durfde amper aanwezig
te zijn.
Alsof iemand elk moment kon zeggen
dat ik daar niet mocht staan.
Alsof ik me moest verantwoorden
voor het feit dat ik in een bus leefde.
Alsof ik vooral niet mocht opvallen.
Die eerste nachten
herinner ik me nog goed.
Het was koud.
Onwennig.
Spannend.
Ik voelde me ook nog een beetje
verloren.
Niet alleen onderweg.
Maar ook in mezelf.
Nu, maanden later,
gooi ik alle ramen open.
Letterlijk.
Ik zit met mijn voeten buiten.
Drink koffie.
Eet een komkommer alsof het
een gastronomisch diner is.
Praat met mensen op parkings.
Zeg goeiemorgen tegen wildvreemden.
En durf gewoon aanwezig te zijn.
Dat lijkt misschien een klein verschil.
Maar voor mij voelt het gigantisch.
Want de grootste verandering is niet
dat ik nu in een bus leef.
De grootste verandering is
dat ik mezelf niet meer voortdurend
probeer te verstoppen.
Ik begin stilaan te voelen:
ik mag hier zijn.
Niet perfect.
Niet volledig zeker van alles.
Niet met een groot plan.
Maar gewoon:
aanwezig.
Levend.
Onderweg.
En misschien is dat uiteindelijk
wat vrijheid voor mij betekent.
Niet weglopen van het leven.
Maar eindelijk durven verschijnen
in mijn eigen leven.