
Vanmorgen werd ik wakker
met regen op het raam van Luz.
De donder rommelde in de verte
en ergens voelde ik dat ik moest
vertrekken.
Niet omdat er iets fout was.
Niet omdat ik weg wilde van iemand.
Gewoon omdat ik terug even ruimte
nodig had.
Dus haalde ik koffie
en reed ik naar de plek
waar ik eigenlijk gisteren al had
willen slapen.
Toen ik daar zat,
viel me iets op.
Door het raam leek het alsof er
twee werelden bestonden.
Binnen was het stil.
Buiten trok de storm voorbij.
En ergens daartussen zat ik.
Verdrietig.
Niet het soort verdriet dat
ontstaat wanneer iets fout loopt.
Eerder het soort verdriet dat
ontstaat wanneer iets mooi is geweest.
Gisteren hoorde ik een liedje
waarin mijn naam voorkwam.
Een liedje over Luz,
over mijn eigen weg volgen
en zelfs over mijn wenkbrauwen.
Niemand had ooit eerder een liedje
voor mij geschreven.
En toch vertrok ik vanmorgen
vroeg.
Omdat dat juist voelde.
Dat is misschien wat me het meest verrast
aan dit leven.
Dat twee dingen tegelijk
waar kunnen zijn.
Ik kan blij zijn dat ik gegaan ben.
En tegelijk voelen dat ik iemand ga missen.
Ik kan verlangen naar ruimte.
En tegelijk verlangen naar nabijheid.
Ik kan weten dat mijn weg verdergaat.
En toch even achterom kijken.
Terwijl ik uit het raam keek,
reed er een trein voorbij.
Misschien daarom dat die foto me
zo raakt.
De regen links.
De openheid rechts.
En daartussen iets dat onderweg is.
Net zoals ik.
Misschien hoeft niet alles vandaag
opgelost te worden.
Misschien mag ik gewoon even zitten
met mijn koffie,
luisteren naar de vogels
tussen de donderslagen door
en zachtjes toegeven:
Amai.
Mijn hartje.