
Soms kan ik iemand iets oprecht gunnen
en toch pijn voelen omdat ik het zelf
zo graag had gewild.
Die twee kunnen blijkbaar naast
elkaar bestaan.
Ik kan blij zijn voor iemand.
Ik kan hopen dat het goed met hen gaat.
Ik kan iets moois voor iemand willen.
En ondertussen kan er iets diep vanbinnen
steken.
Niet omdat ik het de ander niet gun.
Maar omdat het mij raakt.
Vroeger dacht ik bij dat soort pijn al snel
dat er iets mis was met mij.
Misschien was ik jaloers.
Misschien was ik te gevoelig.
Misschien had ik iets verkeerd gedaan.
Misschien moest ik het anders bekijken.
En voor ik het wist,
was ik alweer bij mezelf aan het zoeken
naar de oorzaak.
Want als het mijn fout was,
kon ik er iets aan doen.
Dan kon ik me verontschuldigen.
Me aanpassen.
Het herstellen.
De pijn kleiner maken.
Maar ik leer nu iets anders.
Niet elke pijn is een probleem
dat opgelost moet worden.
Soms doet iets gewoon pijn.
Omdat iets belangrijk voor me was.
Omdat ik iemand graag zie.
Omdat ik iets verlangde.
Omdat ik gehoopt had dat iets anders
zou lopen.
Dat maakt mijn gevoel niet verkeerd.
En het maakt de ander ook niet verkeerd.
Ik mag iemand liefhebben
en toch afstand nemen.
Ik mag iemand geluk gunnen
en toch verdriet hebben.
Ik mag blij zijn voor een ander
en tegelijk rouwen om wat ik zelf niet heb.
Ik hoef mijn pijn niet weg te duwen
om een goed mens te zijn.
En ik hoef mezelf ook niet te verlaten
om de pijn draaglijk te maken.
Dat laatste leer ik misschien wel
het meest.
Wanneer mijn hoofd begint te zoeken
naar wat ik verkeerd heb gedaan,
probeer ik tegenwoordig te stoppen.
Even niets oplossen.
Niet bellen.
Niet uitleggen.
Niet verontschuldigen.
Niet mezelf kleiner maken.
Gewoon voelen.
Mijn lichaam weet soms eerder
dan mijn hoofd dat iets pijn doet.
Een knoop in mijn buik.
Een maag die onrustig wordt.
Slecht slapen.
Spanning in mijn lijf.
Minder kunnen eten.
Vroeger wilde ik zo snel mogelijk
van dat gevoel af.
Nu wil ik leren om er
doorheen te kunnen bewegen
zonder mezelf kwijt te raken.
Misschien is dat ook waarom ik
zo naar het water verlang.
Ik wil sterker worden in mijn
eigen lichaam.
Niet harder.
Sterker.
Mijn core voelen.
Mijn evenwicht zoeken.
Ploeteren met een surfplank.
Vallen.
Opstaan.
Opnieuw proberen.
Niet om iets te bewijzen.
Maar om mijn lichaam te leren:
ik ben hier.
Ik kan dit voelen.
Ik kan wankelen zonder om te vallen.
En als ik val, kan ik weer opstaan.
Misschien is dat uiteindelijk wat ik nodig heb.
Niet nog meer praten over wat ik voel.
Niet nog meer zoeken naar waarom ik ben
zoals ik ben.
Maar leren vertrouwen op mijn
eigen lichaam.
Leren dat ongemak niet betekent dat
ik iets moet herstellen.
Dat verdriet niet betekent dat
ik schuld heb.
Dat iemand anders zijn keuze niet
automatisch iets zegt over mijn waarde.
En dat ik iemand iets moois mag gunnen
zonder mezelf daarvoor opzij te zetten.
Ik denk dat Luz me daar ook iets over
geleerd heeft.
Ik heb haar met mijn eigen handen
gebouwd tot een kleine thuis.
Geschilderd.
Geschuurd.
Gevloekt.
Opnieuw begonnen.
Zorg in gestoken.
En straks gaat ze naar iemand anders.
Dat doet ergens ook een beetje pijn.
Maar ik kan haar toch met een goed gevoel
loslaten.
Omdat iets niet voor altijd van mij
hoeft te zijn om betekenis te hebben
gehad.
Misschien geldt dat ook voor mensen.
Voor momenten.
Voor verbindingen.
Voor dromen.
Ik hoef niet alles vast te houden wat
ik liefheb.
En ik hoef ook niet alles te begrijpen wat
ik verlies.
Soms mag ik gewoon zeggen:
dit doet pijn.
En toch gun ik je het goede.
En ondertussen blijf ik bij mezelf.
Dat is misschien een nieuwe vorm van
kracht voor mij.
Niet mezelf afsluiten.
Niet harder worden.
Niet minder voelen.
Maar voelen zonder mezelf te verlaten.
En steeds opnieuw terugkomen bij
mijn eigen lichaam.
Bij mijn eigen adem.
Bij mijn eigen richting.
Bij mezelf.
Niet minder voelen.
Wel steviger staan.